Tagarchief: hartzakje

Morgenster

Morgenster gedicht Muriel Van PeteghemLaat me sterven op dit strand. Laat.
Met mijn eerste schoenen in de hand,
loop ik mijn huid op, het zeewater schuurt.
Ik snak naar adem bij zoveel
welwillende
elementen. De optrekkende mist
tussen de helblauwe hemel, zingen zeemeeuwen

symfonisch met schelpenresten in de branding
aangespoelde kwallen weerspiegelen
wolkjes met breuken, diepe kuilen voelen veilig
als de vervulling van horen zeggen
en zie het smelten van harten, geglazuurde zielen
ja, kersen op een taart. Langzaam verglijdt de lente in

Ik schreeuw stoppels in mijn keel, maar geen hond
op 100 meter hoort een ruw moment
om door te tranen door zo veel glans
zakt een koe verder door haar poten,
met die lieve lange wimpers puilen haar –
duisternis waar geen stof meer ademt

Laat me sterven. Laat omdat ik het leven niet meer huiver
Keer ik terug naar … middelmatigheid
Ik wilde wel Venus zien, maar de morgenster ging snel
onder in de nacht van de man. Laat maar.

© Muriel Van Peteghem, 3 april 2014, gerijpt tot 6 juli 2017

Over een ont-moeting

Boom in Martin Luther King-park

© Muriel Van Peteghem

Vergeten wat de bekende weg was
Het heeft geen zin te vragen
naar de zon.

Misschien vroeger of later. In deze fase
vliegen sommige vogels natuurlijk
door de bebladerde gaten.

Jij bevecht dat ik mijzelf wil worden. Ik huiver
alleen maar, mijmer soms een beetje, ben van slag en raak
een touchscreen dat weerspiegelt, met één vinger.

Ook ik verlang naar de vrouw,
die zij de toegewijde noemen. Ik besta
in de nevelen en enkelhoog spriet gras.

Ik stel voor verdriet te volgen. Als we
dat hardop zeggen hoor ik een sleutelbos tikken,
maar wij hebben nog een lange reis te gaan.

Ik weet niet of jij beeft, want ik hoor niets meer.
De traagheid van water naar de woestijn,
geen oogopslag zonder familienaam.

Zonder compas, zonder vergeten,
ver op zee sleurt een sleepboot een hart mee
naar de maan.

Wij irriteren elkaar met ontevredenheid. Jij verwijt mij
depressie, ik zeg dat jij een moedercomplex hebt.
We zijn niet getrouwd, waarschijnlijk tot de dood ons scheidt.

Ik hoop dat jij en ik uitgroeien tot oude vrienden,
vechten doe je alleen in het begin. Tranen
leiden ons als granaatappelpitjes.

Ik zandstraal mijn zonden, hopend op een wonder
En zoals het gaat met diepe wonden… ze zijn
Oorspronkelijk.

29 mei tot en met 21 oktober 2014

Over vogels en veldmuizen

Ik ken jouw naam. Ik zag wel dat jouw ogen blauw zijn. Met het grootste gemak keek ik recht in het licht. Je baard vertoont gaten, maar de 3 dagen stoppels staan je goed. Je kleding flateert je niet en je buikje hangt veilig in je heupen. Je hebt kippenborstjes en je rookt teveel. En ik ben verbaasd te zien dat een glimlach op mijn gezicht verschijnt als ik merk dat het me allemaal niet uitmaakt. Als de hemel naar beneden valt, heb jij je pet nog op en ik draag nog steeds mijn verlate hippiejurk. Je sprak bevlogen over bevlogenheid en ik voel meteen dat jij niet stil kan zitten en altijd maar je vleugels klappert. Niet als Icarus, maar hier op aarde, omdat beweging de hemel op aarde is. Ik weet niets, kan kennelijk ieder verlangen loslaten, maar jouw oogopslag is een avontuur op zich. Een avontuur dat de pagina’s van mijn dagboek snel vult en mij inspiratie geeft om mezelf aan te raken daar waar het lang geleden is.

© Muriel Van Peteghem

Zeeslag

Ontaderd met een slag. Landkaarten verkreukeld. Ik voel alles. Ik voel zo alles, dat het niets kraakt. Ik had je nog niet eens al mijn geheimen verteld. Dacht jij misschien dat je alles al wist? Jij zag alleen het topje van mijn ijsberg. Ik ben bereid te sterven voor mijn sterfdag. En jouw orkest speelt door.

Ik vergeet mijn geschiedenis. Ik vergeet dat ik geworteld was in een land hier ver vandaan. Een vaderland met mensen die van mij houden. Dit vaderland heeft mijn vader verloren. Ik ben nu ver van huis, verdwaald op zee. Ik vraag me af of er genoeg rantsoen is om het overleven. Ik wil geen scheurbuik.

Mijn hart is van het pad af, verloren op wegen naar Rome. Ik veronderstel dat het goed komt met ons. Dat de timing slecht was, maar dat we tot inkeer komen en elkaar weer zullen vinden. Mijn hart ligt in een koelboxje in een ziekenhuis, omdat ze dachten dat ik dood was. En omdat ik een donorcodicil heb.

The dragon lord

Voel jij dat ik via jou in mijn ziel kijk? Zie jij het ook? Ik ken je niet goed, maar je bent een uitstekend geleider van elektronen. Ik wiebel in spiegeling, dat wel, maar ik zit op een troon. En groet prinsesjes.

Iedere ontmoeting met een ander lijkt  tijdsverspilling. Daar waar de wil weg wil. Opdat ik mij en jij jou kan ontdekken. De telefoon zegt: je hebt geen zicht op de toekomst. Jij weet alleen maar wat nu waar is.

En wat als dat zo is? Wat als niets iets kietelt? Ik doe zo mijn best, maar het lot laat zich aan mij over. Op afstand kijk je met z’n drieën.

Eén man. Drie blikken. Ik zou de draak in mij doden voor jou. Nu al.

~ voor de admiraal

Smijt de ajuinen buiten

Een ui heeft vaak baat bij dubbellaags wc-papier. En zwart en de zon die dit keer onder de indruk is van volle maan. Van binnen voelt het alsof gieters twee aan twee opwellen, ver van Vlaamse velden. Ik zit in gebouwen vol mensen, in huizen met muren. Weer een man die de andere kant opkijkt dan naar binnen. Achter glas.

Kleine woordjes fluisteren. Ik maak genoeg mee: ik begraaf mijn droevenis naast gras waarop het lammetje dat niet weet dat het een worstje wordt – loopt. Ik hang mijn hart op aan het kapstokje in de gang. Ik weet niets van seks of kroegbargoens. Mag ik niet schreeuwen dat het voor mij bestemd is?

En dat iedereen juicht om de eerste lentezon, terwijl jij slaapt achter gordijnen met spocht. Misschien wel niet allleen. Ik wijs op mijn borstkas die een ton in duigen is. Omdat de wereld nog gewoon doordraait, waar levers schampen en darmen weer kilometers lang zijn. Omdat er een kans is dat babies geboren worden in trio’s.

Omdat ik het ook niet weet of een wijf over jouw delen praat, omdat jij dat zei of zij gezegd heeft. Of gevoeld. Omdat ik weet dat ik de liefde opeis die van mij is, zie ik dat lieveheersbeestjes sterven op mijn balkon. Omringd door lijnen naar het midden. Terwijl de thymusklier galstenen spuugt, zie jij vreugde op de bodem van een vaas.

Laat mij het fileermes zijn dat de huid afpelt voor onderonsjes als kringgesprek. Je kon niet meer wachten tot het galgenmaal. Voor altijd de veertig dagen-tijd als laatste herinnering. Kleine visjes zingen een wijsje in mijn hoofd: spiegelingen in de bubbels uit de zuurstoftank. Op mijn lijstje staat ook de vraag: Waar zijn de ajuinen van je vader?